Een dertigjarige man, Jozef Matús, arriveert in een afgelegen dorp in Oost-Slowakije – van oudsher een mijnstreek. Niemand in het dorp kent hem. Hij wint al gauw de sympathie en het vertrouwen van de bewoners. Hij gedraagt zich keurig en redt bovendien twee kinderen uit een mijnschacht. Ziga, een jonge technicus die geologisch onderzoek doet, geeft hem onderdak in zijn caravan. De enige die Matús van meet af aan wantrouwt is Simiak, de plaatselijke voorzitter van het Nationale Comité. Hij volhardt in zijn wantrouwen; hij zegt dat hij afgaat op zijn intuïtie, die hem ook nog nooit in de steek heeft gelaten in de oorlog en het verzet, toen wapenbroeders moesten worden onderscheiden van verraders. De dochter van de voorzitter, Helena, een jonge gescheiden vrouw met een zoon van tien, Ivan, wordt verliefd op Jozef. Ook Ivan kan het goed met hem vinden. Matús besluit zich voorgoed in het dorp te vestigen. Hij vindt een baan als vrachtwagenchauffeur en begint enthousiast een groot huis vlak buiten het dorp te bouwen. Al gauw weet hij aan bouwmateriaal te komen door ruilhandeltjes en diefstal, omdat de staatseigendommen onvoldoende worden bewaakt. Helena komt erachter, maar Matús weet niet van ophouden en gaat nog meer stelen, zelfs dingen die hij niet nodig heeft. Hij wordt aangegeven en verhoord, maar de gestolen materialen komen niet boven water. Desondanks raakt Jozef uiteindelijk in paniek en op de vlucht in een vrachtwagen met de gestolen goederen stort hij in een ravijn.