De kern van de film is de parallel tussen het opbouwen van dagdromen en het opbouwen van een verhalende film. Hiertussen lopen thema’s als voyeurisme en de voorstelling van de vrouw als object om te bezichtigen, maar niet om te beluisteren.
De film draait om een gesprek tussen een oude man en zijn bovenbuurvrouw, een werkloze actrice die een baantje heeft in een nachtclub. Hij vertelt haar de geschiedenis van zijn kamer. Zij vindt dat ze niet kan afgaan op uiterlijkheden en besluit een verleden voor hem te creëren.
De film schommelt heen en weer tussen heden en verleden -de nachtclub waar ze werkt; haar optreden als travestiet in het verleden, bedoeld voor de mannelijke bezoekers. Een beeld dat ze creëert vanuit de gedachte dat karikaturiseren een vorm van haat is.
Ze creëert een gefingeerde vrouw die een replica van haarzelf is en ze vertelt het verloop van de verhouding tussen de denkbeeldoige vrouw en de oude man. In die fictie is de man even oud, ‘hij had als oude man geboren kunnen zijn’. Hij is even onwerkelijk voor haar als zij voor hem.
Even consequent als in een dagdroom komen er geen buitenstaanders in voor, geen duidelijke overgangen, de ene gebeurtenis volgt de andere op. Het baantje van de vrouw vergt nauwelijks iets van haar. Ze heeft het te druk met het bekijken van de anderen die haar bekijken om zichzelf te bekijken. Ze durft er tegenover de oude man niet voor uit te komen dat ze stripteasedanseres is. Ze blijft liever een nummer, zoals de vrouw die ze verzonnen heeft. Ze verbrijzelt het droombeeld van de oude man door het concreet te maken. Maar met haar dagdroom is het afgelopen.