In 1955, een jaar na de oprichting van het Nationale Bevrijdingsfront van Algerije, wordt Mahmoud z’n eigen land uitgegooid. Hij komt in Frankrijk terecht in een Algerijnse krottenwijk van Nanterre. Hij wordt al spoedig de speelbal van twee rivaliserende bevrijdingsbewegingen. Omdat hij zou hebben deelgenomen aan de executie van een verrader, wordt hij in 1957 door de politie opgepakt en achter slot en grendel gezet.
Als hij in 1959 de gevangenis verlaat is de situatie drastisch gewijzigd. Er wordt in de Algerijnse wijken druk gepatrouilleerd door de ‘harkis’, Algerijnen die de kant van de Fransen hebben gekozen. Mahmoud neemt echter weer deel aan het verzet en pleegt een bomaanslag op het hoofdkwartier van de harkis. Hij wordt wederom gearresteerd en zo zwaar gemarteld dat hij door zijn eigen vrienden, die hem komen opzoeken in de gevangenis, niet herkend wordt.
Terwijl de bevrijding van Algerije voor de deur staat denkt Mahmoud nog slechts aan zijn fluit. Hij is gevangene geworden van zijn eigen gekte.