In scherpe, bonte kleuren stoten beelden van de hopeloze arbeidersknecht over het doek. Hij heeft geen taal meer, hij is leeg als de varkens, waarvan hij iedere dag de ingewanden uit het lijf moet rukken. De liefde blijft kapot, schril en gevoelloos. Tederheid kan hij alleen nog opbrengen voor de plastic pop uit de pornozaak. Doelloos zwerft hij door de koude stad, overdag haalt hij varkens uit elkaar. ‘Humaan doden’ noemt zijn baas dat. Giftig geel of ziekelijk blauw zijn de kleuren, verward zijn de dromen en buitenissig de uitbarstingen. In disco’s speelt hij de versierrituelen mee, maar zo ziek als het versieren is, is ook het samenleven. Zij, de werkloze kapster, doet braaf, kleinburgerlijk het huishouden, hij gaat steeds weer naar de lopende slachtband. Het slachten wordt in zijn geïndustrialiseerde vorm tot een karikatuur van een gevoel, het gevoel als onmachtige uitgeleverd te zijn en alleen door zinloze slachtexcessen nog een beetje lucht te kunnen krijgen. Aan het eind brengt de vleesarbeider de kapster om het leven.