Bimal is taxichauffeur in een klein stadje. Hij werkt in een gebied met mijnen en industrieterreinen in Oost-India met her en der enorme concentraties van inwoners. Het landschap bestaat uit droge rotsen, slechte wegen, verlaten velden en af en toe een grote, oude boom. Bimal woont alleen. De taxi, Jagatdal, is zijn enige metgezel. Het is een oude gammele Ford met vele gebreken, maar voor Bimal is het zijn oogappel, bijna het doel van zijn bestaan. Vol trots zit hij telkens in zijn wagen voor het station, wachtend op klanten. Naast zijn oude Jagatdal staan moderne Chevrolets en Pontiacs, in de bloei van hun jeugd. Zijn dagen en nachten brengt hij door op de weg, terwijl hij zijn passagiers van het ene naar het andere punt brengt. Zijn leven is een kaleidoscoop van kleine gebeurtenissen, in gang gezet door korte ontmoetingen met de mannen en vrouwen die achter hem zitten.
Bimal weet dat de wagen een stervend wrak is. Urenlang sleutelt hij aan zijn oude werkpaard, dat dan weer zijn slaaf is, een andere keer zijn zoon, die hij koestert aan zijn hart.