Een man wil zijn vrouw afhalen, die in een jeugdcentrum werkt. Als hij daar aankomt raakt hij verzeild in een ‘razzia’, die daar door de politie wordt uitgevoerd. In paniek baant hij zich een weg door het tumult om zijn vrouw te zoeken. Dan valt er een schot. De man wordt in het hoofd geraakt. Het schot is afkomstig van een politieagent. Bijna dagelijks leest men in de krant over dergelijke en vergelijkbare gebeurtenissen. Ze kunnen iedereen overkomen.
De man, die door een kogel in het hoofd is getroffen, is niet dood. Hij leeft, fysiek. De artsen lappen hem weer op, fysiek. Maar alle activiteiten die door de hersenen geleid worden, moet hij zich weer opnieuw eigen maken. Een man van 35 jaar is teruggeworpen op het nulpunt van het menselijk bestaan. Hij bestaat en is voor zichzelf de grote onbekende.
De dwang om opnieuw te moeten beginnen maakt in hem niet-vermoede krachten vrij. Met ijzeren energie begint hij de moeizame strijd waardoor hij zijn eigen identiteit moet terugwinnen. Hij leert zien, voelen, horen, spreken, denken. Heel geleidelijk begrijpt hij in dit proces van bewustwording dat hij in een maatschappijpolitieke molen terecht is gekomen, uit welks raderwerk hij zich alleen op eigen kracht zal kunnen bevrijden.
De politie en de pers zien in hem een terrorist, voor zijn vrienden is hij een slachtoffer van de politieterreur, een martelaar, die voor het incident als wereldvreemde biogeneticus in een onderzoeksinstituur werkte; de politie beschouwt dit laatste als een dekmantel. Wat is echter de waarheid? Voor hem staat vast dat de waarheid uniek is en alleen dat, wat bewezen kan worden. Wat kan hij echter bewijzen, en hoe?