Centraal in deze film staat Albert, zoon van een herenboer. De film begint op het moment dat hij uit een zenuwinrichting wordt ontslagen. Inmiddels heeft zijn vader de boerderij aan zijn neef Hans overgedragen. Albert komt daardoor niet in de vertrouwde omgeving van zijn familie terug; hij voelt dat hij nog slechts geduld wordt. Hij verlaat de familie en probeert zijn eigen, onafhandelijke leven te leiden; hij zoekt vriendschap en liefde buiten de familie. Alleen omdat hij stottert en in het ‘gekkenhuis’ zat, wordt hem het stempel ‘dorpsgek’ (Dorfdeppen) opgedrukt. Elke poging van hem om zich hiertegen te verweren, doet hem nog meer verstrikt raken in de vastgeroeste normen van dit dorpsleven.