Interview:
“Voor mij is cinema een spectakel. Ik ben realist en voor mij zit poëzie altijd in realiteit. L’homme sans visage is een stuk moderner dan Judex, maar de films zijn behalve uiterlijk (gemaskerde mensen, aansluiting bij mythologie) inderdaad te vergelijken op het punt van onirisme. Het zijn slaapwandelende films. Maar in Judex zijn de personen irreëel en hier is alles veel reëler. De trein bijvoorbeeld, daar hoor je treingeluid bij, geen muziek. Het moet een materiële echte trein zijn. Waarom is Dali zo verontrustend? Omdat surrealisten objekten in een andere kontekst plaatsen maar ze tegelijkertijd fotografisch echt maken. Max Ernst bijvoorbeeld, die de kop van een echte rat op een echt mens zet: de elementen moeten onaanmgetast blijven. Het onirisme zit in de atmosfeer en in het verhaal. Wanneer je Scotland Yard ziet bellen, hoor je de stemmen van telefonerenden aan twee kanten: dat is irreëel maar midden in de realiteit. Op die manier is het publiek ondanks wat er allemaal op het doek gebeurt altijd in een filmzaal. Het krijgt gewoon niet de kans meegesleurd te worden naar een andere tijd. Men is altijd in de realiteit van 1974.
De tegenstelling goed- kwaad interesseert me niet. Als ik daar een film over zou maken, zou het de triomf van het slechte zijn. Ik ben gewoon tevreden dat ik de politie een beetje geridiculiseerd heb, want ik heb het niet zo op politie begrepen.
Ik houd wel van actie maar niet op z’n amerikaans, niet de actie van de western. De dynamiek van actie is in feite niet-onirisch. geweld zit ook veel meer in de brutaliteit van de actie. Voor de oorlog heb ik twee films over Raspoetin gezien. In de eerste werd zijn hoofd er gewoon met een bijl afgehakt. Maar in de tweede, van Sternberg in 1933 die niemand ooit heeft gezien, werd een naald achter zijn oor gestoken. Dat is véél erger. Als er soms geweld in mijn films zit, dan is dat omdat het me verontrust, omdat het de mensen conditioneert.