Twee verhalen, het heilige en het profane, gezet tussen twee tijdperken, twee vormen van klassegeweld (de geforceerde hellenisatie van de joodse vrijheidsstrijders), tussen de heilige oorlogen van de Maccabeeën en die van de slaven, de periode waarin de “christelijke revolutie” rijpte. In afwachting van het naderende “einde der tijden” geeft Paulus gestalte aan zijn parabel: de tochten (8000 kilometer te voet, 9000 kilometer over zee), de afstoting van de notabelen, de mensenjachten, de stenigingen, de constante vluchten, de bloedige botsingen met de regerende hiërarchieën, het bloedbad van de partizanen tegen de verrader van de joodse zaak.
In Jerusalem wordt Paulus met gevangenschap door de romeinen beschermd, en predikt hij tegen de fanatici van zijn volk die al te graag de valse profeet willen lynchen. Hij probeert zijn lange ideologische odyssee uit te leggen: zijn verleden als ijverig vervolger van andere fanatici, zelfverblinding (hetgeen echter door een bewaker niet als feit maar als legende wordt verteld). En dan komen we, de eeuwen achter ons latend, aan onze eigen eeuw, met zijn autosnelwegen…
Paulus schrijft zijn brieven aan de wereld in een poging de moeilijke politieke en ideologische dialectiek te vereenvoudigen voor de primitieve christelijke gemeenschappen waarin nog steeds klasseverschillen voorkomen en de eerste ontaardingen zich aankondigen, ondanks de normen van Paulus (en tweeduizend jaar later die van het Marxisme: “Wie niet werkt, zal niet eten” en “Aan ieder naar gelang zijn behoefte”). Opeens verschijnen, tweeduizend jaar overslaand, de strijders van de woestijn, de fanatici vn vandaag…
Paulus is nu officieel in gevangenschap. In de duisternis van het wachten op het einde, toont de man die door samenzweerders is gezonden om hem te doden een vertwijfelde poging te begrijpen, iets van de aard van de dingen te bevatten, voordat hij zijn vreemde tegenstander gaat uitschakelen.