Een geblinddoekte jongen maakt uit een berg hoepels en bogen voor de ogen van oude rotten in het kuipersvak een nieuwe ton. Er is een nieuwe meester in het vak bijgekomen en met een gelukkige lach neemt de jonge Liju de meestertitel in ontvangst. Maar zal het meesterschap hem de roem van een kunstzinnige vakman brengen? Zijn handen jeuken om te mogen beginnen. Zijn ongeduld en vurige wens iets constructiefs te doen, leveren hem zijn eerste opdracht op. Kara Souljo geeft hem de opdracht een vat te maken met een inhoud van 300 okas. De ogen van de jongen glinsteren en al spoedig ziet het wonderbaarlijke vat het daglicht, inhoudende 300 okas en met houten hoepels omringd, die sterker zijn dan ijzeren. Liju heeft er met hart en ziel aan gewerkt. Maar zijn eerste daden in het vak worden met ironie en hoon ontvangen. Het hele dorp komt zijn werkstuk bekijken. “Ik zou zo’n ton niet nemen”, zegt een van de omstanders, “al zou ik ‘m voor niks krijgen”. De opdrachtgever begint nu ook te aarzelen bij het zien van de houten hoepels. De ‘Hodja’ zelf keert zich nu ook tegen de jonge meester. Maar Liju laat zich niet van zijn stuk brengen. Hij is overtuigd van de kwaliteit van het vat en zegt dat er uit zijn handen geen rommel kan komen. Met de Hodja sluit hij een weddenschap af. De ton wordt in de rivier gegooid om te bewijzen dat hij zo goed is als de maker zegt. De houten hoepels doorstaan de test en onder grote hilariteit van de dorpelingen begint Liju de baard van de Hodja af te scheren. Maar de test is nog niet voorbij: de ton moet nog uit het woelige water van de rivier gevist worden. Liju wil dit waagstukje wel uithalen, om te bewijzen dat hij net zo moedig en vermetel is als kundig op zijn vakgebied. Het slot van de roman “Examen” klinkt als een loflied op de jeugd, op haar initiatief en op haar onvervalste creativiteit, die meer vereist dan zuivere vaardigheid.