Als Rimbaud niet dood was, werkte hij nu misschien bij IBM. De literaire historici hebben dit wonderkind, dit enfant terrible bij uitstek, nooit helemaal vergeven dat hij op negentienjarige leeftijd besloot een punt achter zijn wilde jonge jaren te zetten. Met dezelfde vasthoudende felheid waarmee hij was begonnen, besloot hij die kwajongensstreken opzij te zetten: als zijn jeugd het withete metaal was waarin ook onze eigen dromen over het ontwikkelen van een eigen identiteit gevormd worden, kwamen zijn latere levensjaren even dicht bij een parodie op de koloniale koopman als zijn eerste vroegrijpe gedichten een parodie waren op Hugo, Lamartine en later Verlaine.
(…)
Omdat het een film over clichés is (over hun invloed en verlammende werking) flirt Le vieux pays er voortdurend mee en loopt de film het gevaar er zelf een te worden voor de kijker die dat onderscheid niet ziet. Want wat is de plot -een reis van Parijs naar Marseille, en van een ongelukkige liefde (Myriam Boyer) naar een kortstondige romance (Anouk Ferjay) – nog meer behalve het stereotiepe verhaal van een ontwortelde jonge toerist? Wat is het thema -een onderzoek naar culturele oorsprong en betekenis- hoe fijnzinnig en relativerend ook behandeld, nog meer behalve een modieuze gemeenplaats? Het antwoord is, met het risico dat het pretentieus kinkt, een onderzoek waarin de werkelijkheid wordt waargenomen en weergegeven.