Tijdens de opnamen, die twee jaar in beslag namen, had alleen de cameraman een vastomlijnde taak. Iedereen deed alles om beurten; aan het script heeft iedereen meegewerkt, maar willekeurig werden 2 mensen aangewezen, die de verantwoordelijkheid kregen voor het kader en voor de regie van de acteurs.
In 4 etappes werd de film gemaakt, evenzovele reizen waren ervoor nodig. Er werden opnamen gemaakt in Vincennes, Nederland, België, Luxemburg, Israël, Libanon, Syrië en Parijs.
Aanleiding voor de film was de reis van Ali Akila in 1969 naar Jordanië. De aldaar gemaakte dia’s en foto’s liet hij hier en daar zien, vertellend over het begin van de Palestijnse revolutie, na de oorlog van 1967. Door de bijna algemene onwetendheid over de Palestijnse situatie, die sprak uit de reacties die hij op zijn verhalen kreeg, ontstond bij Akila de bewustwording van het belang propaganda te maken. D. Dubroux in een interview met Cahiers du Cinema: “We hadden te maken met de positie van non-existentie, waarin men de Palestijnen had geplaatst. We moesten uitgaan van de beruchte afwijzing van Golda Meir: ‘Ze hebben nooit bestaan’. Een afwijzing die voor Israël een strategisch gebod betekent en die in Europa heeft school gemaakt: het verloochenen van de tastbare realiteit van een volk. Kinderen, ouden van dagen, vrouwen, allen verenigd in eenzelfde strijd; een volk, waarvan hier in het Westen slechts een stereotyp is blijven hangen; de Palestijnen, een bende gemaskerde desperados die zich klaarmaken voor militant geweld en vliegtuigen kapen.”
Daarom: het laten zien van het leven van een volk, waarvan de geschiedenis in ieders herinnering leeft: de ouderen, die alles hebben meegemaakt en erover vertellen, de jongeren aan wie de ouderen het hebben verteld en die diezelfde geschiedenis met de paplepel kregen ingegoten. Dat verleden, dat zó dichtbij ligt in de Palestijnse aarde en dat soms de vorm aanneemt van een droom (een droom is de manifestatie van een verlangen), het verlangen die eigen aarde, die eigen grond weer te vinden.