Joe D’Amato was eerder berucht dan beroemd: eerst als het gestoorde genie achter een aantal zeer extravagante erotische films in de jaren 70 (zoals de meeste afleveringen van Black Emanuelle met Laura Gemser); daarna als grootmeester van splatter en shock, die vaak verboden of gekuiste vruchten schiep als Anthropophagus (1980) en Rosso sangue (1981); en ten slotte als een van de beste en drukst bezette pornoregisseurs in Europa.
En toch was hij veel meer dan dat: een ontdekker en inspirator van talenten; een vakman hors les normes die het beste, en zelfs meer, maakte van iets wat vaak minder dan niets was; en bovenal een proletarische surrealist, die zijn épater-les-bourgeois-gerechten opdiende in de meest opzichtige vormen en gedaantes. D’Amato was een van de laatste regisseurs die echt cinema maakte tot aan het Luce rosso-eind, wat het warme portret-annex-loopbaanoverzicht van Gomarasca & Zanin van deze oer-Italiaanse genrelegende ook tot een verhaal maakt over de ondergang van een populaire kunstvorm, inclusief alle ongemakken.