José Celestino Campusano: Het eigenzinnige Zuiden

Campusano zie ooit tegen me: ‘Ik wil een concreet, tastbaar spoor nalaten. Ik geloof dat die intentie niet zoveel verschilt van die achter de rotstekeningen in de grot van Altamira […] Ik vind het nodig om een spoor achter te laten van hoe het ooit was, hoe het zonlicht op een huid viel, hoe stemmen klonken, wat de ingrijpende impact was op die sociale context.’

Van Bosques (2005), de middellange film die hij maakte met Gianfranco Quattrini, tot El perro Molina(2014) bleef Campusano trouw aan dit doel. Met behulp van film rehabiliteerde hij een gebied dat gestigmatiseerd was door de media. Met zijn beelden vulde hij een ruimte die onduidelijk was door zijn ongrijpbare afmetingen, het zogenaamde ‘Groot-Buenos Aires’. Hij verschafte een soort redelijkheid aan een regio die naar verluidt hier en daar bewoond werd door barbaren. Achter dat wilde imago van die mannen en vrouwen die nauwelijks het hoofd boven water konden houden, trof hij een onbetwistbare waardigheid aan.

Antropologische zoektocht
Campusano’s eerste zeven films hielpen bij een realistische weergave van een manier van leven die zich het beste openbaart in motorclubs; misschien een moderne vorm van stamvorming, waarin normen en waarden die losstaan van de logica van het kapitalisme nog bestaan en doorgegeven worden. Deze eerste periode in de carrière van Campusano wordt gekenmerkt door een antropologische zoektocht. De filmmaker kende het universum dat hij weergaf als zijn broekzak; hij legde een voorraad aan van waargebeurde verhalen en herschikte ze in zijn films, en versterkte daarbij het universele karakter van de bijzondere cultuur waarin hij zich had ondergedompeld.

In eerste instantie kenden Campusano’s films een klassieke mise-en-scène. Alle elementen zijn zo op elkaar afgestemd dat de verhaalstructuur de bepalende kracht is. Dit betekent niet dat Campusano geen interesse had in andere filmische mogelijkheden. Hoewel hij pure vormexperimenten zou bewaren voor later in zijn loopbaan, was de nieuwsgierigheid naar het registrerende instrument dat een filmcamera is, er al vanaf het begin.

Stijl en traditie
Als onderdeel van zijn filmtaal gebruikt Campusano vaak het concept van de ‘collectieve compositie’. Voor hem is dit een manier om specifieke gevallen te laten zien die de hele gemeenschap kent, waarbij de hoofdpersonen van de film de (her)schepping van fictie beïnvloeden. Het slang dat gebruikt wordt in dialogen, enkele ‘vulgaire’ Gaucho-verzen die de moraal samenvatten, de keuze van kleding en meubilair, de locaties als reservoirs van collectieve ervaringen; allemaal realistische attributen, verzameld door de filmploeg. Daarom is elk shot zo waarheidsgetrouw en heftig. Het arsenaal verouderde vuurwapens die van hand tot hand gaan, de uitvoerige aandacht voor seksuele praktijken, of de mores van huiselijk geluk – ver verwijderd van strenge burgerlijke erotiek – en de littekens op het lichaam van de personages die we vaak in close-up zien; stuk voor stuk getuigenissen die gezamenlijk de weerslag van een tijdperk vormen.

De suggestie dat motoren in zijn films paarden vervangen, is niet overdreven. Als de bikers in formatie optrekken, over de weg stuivend op hun enorme motoren, lijken ze het asfalt te berijden. Hier steekt het stammenconcept de kop weer op en zien we, in zijn volle glorie, een collectieve herinnering met echo’s van de voorouders van deze mannen en vrouwen – de poëtische wederopstanding van de geest van de Quilmes, een oud indianenvolk uit het noorden van Argentinië dat eind 17de eeuw verplaatst werd naar Buenos Aires. Dit verklaart het feit dat Campusano’s films moeiteloos gehoorzamen aan de wetten van de western. De 17de eeuw is springlevend aan de randen van Buenos Aires, en het conflict tussen beschaving en barbaarsheid blijft een onopgelost mysterie – het eeuwige spook van de Argentijnse geschiedenis.

Onrecht in kaart gebracht
De tweede periode van Campusano’s filmproductie begint met El perro Molina, wordt daarna bevestigd met Placer y martirio (2015) – zijn mysterieuze uitstapje naar het thema ‘verlangen’ in de hogere kringen van Buenos Aires, of eerder de nouveaux riches van het neoliberalisme – en komt tot volle wasdom in El sacrificio de Nehuén Puyelli(2016), Cícero impune (2017) en El azote (2017). Dit inruilen van antropologische fictie voor verhalen over gevallen van onrecht of de politieke ontwikkeling van de filmmaker valt samen met het verlaten van zijn vertrouwde omgeving. Als Campusano de Quilmes-regio verlaat – aan de rand van Buenos Aires – vindt er tegelijk een belangrijke wending plaats, die zich misschien niet beperkt tot Argentinië. Je zou kunnen zeggen dat dit gelogenstraft wordt door El arrullo de la araña (2015), omdat de winkel in deze film zich in de periferie van Buenos Aires bevindt. Maar dit verhaal, met zijn ongebruikelijke en overdreven dialogen, vindt plaats in een ijzerwinkel die overal in Argentinië, of Zuid-Amerika, zou kunnen staan. En het thema waar alles om draait, is de conceptuele vijand van die periode – de kleine perversiteiten van een sociaaleconomisch systeem.

De nieuwste film van Campusano is een project dat in Rotterdam zijn première beleeft. De locatie die voor deze film is gekozen is Brooklyn, een plek ver, ver weg van Ezpeleta, Berazategui en Quilmes. En hoewel de focus in Brooklyn Experience ligt op het experimenteren met filmische perceptie, ademen de straten van Brooklyn en de weinige voetgangers een stil gevoel van decadentie en verlatenheid, dat de kloof tussen de twee werelden overbrugt.

Tekst: Roger Koza