Verhalen

Signals: Jang Jin - Een inleiding door Azië-expert, programmeur en criticus Tony Rayns

Time Out!

Wanneer IFFR 2015 achter de rug is, zou je je weleens kunnen afvragen waarom je Jang Jin nog niet kende. Vrijwel iedereen in Zuid-Korea kent Jang Jin wel. Hij is de bekendste moderne toneelschrijver en -regisseur van het land en hij is vaak op tv - onlangs nog als het brein achter de comedyshow Saturday Night Live Korea, die het hele land keer op keer in beroering bracht. Natuurlijk schrijft, produceert en regisseert hij ook films, waarvan sommige volle zalen trokken. Maar los van alle prestaties op zijn CV staat Jang Jin vooral bekend om één ding: satire. Hij heeft geen respect voor instituties, machtige individuen en dogma’s. Hij gelooft, innemend genoeg, dat satirische comedy doeltreffender kan zijn in het veranderen van de samenleving dan het gooien van Molotovcocktails.

Niet alle films van Jang zijn satires – althans, niet openlijk. Hij vindt het belangrijk dat zijn werk een groot publiek bereikt, dus hij gebruikt vaak banale verhalen en onderwerpen. Zijn filmografie bestaat uit een aantal gangsterfilms en romcoms. Maar hij zet de genres die andere Koreaanse regisseurs populair hebben gemaakt op zijn kop door hun aannames te betwisten en er een ontwrichtende draai aan te geven. Soms gaat hij daarbij net iets te ver en vergeet hij zijn Koreaanse publiek – maar misschien heeft het IFFR-publiek minder problemen met zijn ondeugendheid. Zijn doelwitten zijn universeel: de hypocrisie van de massamedia, de absurditeit van machogedrag, de dubieuze overtuigingen van religies.

Woorden en gesprekken

Jang, halverwege de veertig, studeerde toneel in Seoul en schreef zijn eerste toneelstuk in militaire dienst. Toneel is waarschijnlijk nog steeds zijn grote liefde. Niemand – zelfs de overleden Franse meester Alain Resnais niet – is beter in staat gebleken om toneelelementen te transplanteren naar film. Je ziet het soms aan zijn knappe mise-en-scène, aan de manier waarop hij beelden kadreert en zijn personages door het beeld laat bewegen, maar het is vooral onmiskenbaar in zijn dialogen, zijn gebruik van taal. Zijn dialogen zijn soms zo snedig als in de klassieke screwball-comedies uit de jaren dertig, maar hij speelt het liefst met woorden: hij verkent verbale dubbelzinnigheden, geniet van non sequiturs en laat personages hun vocabulaire uitputten. En hij is dol op een ferme scheldpartij. Zijn eerste verfilmde scenario, een bewerking uit 1995 van Song Chaehwans A Hot Roof (in de regie van Lee Minyong), bevatte een ontzagwekkende reeks beledigingen: vrouwelijke demonstranten die de politie uitschelden, felle ruzies over de tactiek van het protest, opgesloten inbrekers die kibbelen, vrouwen die niet wijken voor agressieve mannen. Veel films die Jang vervolgens zelf maakte, bevatten ook memorabele woordenwisselingen. Hij weet wanneer het beter is dat zijn personages er het zwijgen toe doen, maar zijn dialogen staan zeker op gelijke hoogte met het geestige geplaag in de films van Hong Sangsoo. Net als andere sleutelfiguren in de Koreaanse filmrenaissance van de jaren negentig richtte Jang kort na zijn start als regisseur zijn eigen productiebedrijf op. Hij noemde het ‘Film It Suda’ – ‘Suda’ betekent ‘continu geklets’. De film die hem beroemd maakte, heeft ook ‘suda’ in de titel: Killer-deului suda (2000), dat letterlijk ‘continu geklets van moordenaars’ betekent. De Engelse titel was Guns and Talks. Wat ik al zei: innemend.

Genre en geestigheid

Jang werkt met veel Koreaanse topacteurs (hij heeft er een aantal begeleid op het toneel) en laat hen veel verder gaan dan de meeste andere Koreaanse regisseurs. Ten eerste laat hij hen personages spelen met een welomlijnde persoonlijke geschiedenis en een sociaal-realistische context; het zijn geen ‘types’. Ten tweede rekt hij genres op en daagt zodoende zijn acteurs uit om de humor te zoeken in persoonlijk drama, het pathos in opschepperij, of de zwakte in gewelddadigheid. Over het algemeen weet hij het beste uit hen te halen, zelfs als ze kansloze losers spelen of mensen die verstrikt zijn in een vals zelfbeeld.
Maar weinig films van Jang zijn simpelweg genrefilms. In Guns and Talks zijn de zogenaamd keiharde huurmoordenaars bespiegelende mannen met liefdesverdriet; ze zijn ook geobsedeerd door een tv-presentatrice. In My Son krijgt een levenslang veroordeelde één dag verlof, maar die 24 uur duren 15 jaar, als in een enigma van Borges. In We Are Brothers botst een katholieke priester met een sjamaan (broers, inderdaad) terwijl ze op zoek zijn naar hun moeder, een vermiste vrouw met alzheimer – totdat de werkelijke achtergrond van hun broederstrijd duidelijk wordt. En in de ensemblestukken - Murder, Take One en The Quiz Show Scandal , om maar te zwijgen van de bewerking van zijn toneelstuk Welcome to Dongmakgol – schept Jang er genoegen in om niet alleen uiteenlopende verhaallijnen samen te brengen, maar ook om de personages te dwingen om te gaan met onbekende en onverwachte situaties. Bij Jang draait het altijd om het verlaten van ‘comfort zones’.

Vlees en fantasie

Het Signals–programma van IFFR is vaak gereserveerd voor overtuigd marginale filmmakers, die de mainstream van hun cultuur op de proef stellen vanuit de marge. Jang Jin is precies het tegenovergestelde: een onafhankelijke stem die zich in het hart van de mainstream laat horen. Ongeveer zoals de schrijver William Burroughs, die maatpakken droeg en over het algemeen overkwam als een respectabele heer, om zijn tegendraadse aard te camoufleren. Neem bijvoorbeeld Jangs recente film Man on High Heels . Die begint heerlijk vertrouwd, dankzij alle bekende stijlfiguren van de Koreaanse politiethriller en gangsterfilm, zoals het grove geweld en bijbehorende actiescènes - en dat wordt bijna de hele film zeer kundig volgehouden. Maar de macho hoofdpersoon wil van geslacht veranderen, en zijn psychologische ‘probleempje’ ondermijnt geleidelijk alle genreconventies. Het voert het verhaal naar een gecompliceerd en wereldwijs einde dat elk genre ver achter zich laat. Man on High Heels resumeert alle sterke punten van Jang Jin. Hij kent de lichamelijkheid en alles wat daarbij komt kijken: de honger, de pijn, het verlangen, de dwang. En hij kent de fantasieën waaraan het lichaam onderdak biedt: de verlangens, de waanideeën, de troostende illusies. Hij etaleert dit alles met een grote dosis geestigheid, stijl en energie. Geloof me, tegen de tijd dat je hem leert kennen, zul je willen dat je hem eerder ontdekt had.