Interviews

Justine Triet over Sibyl

In Justine Triets Sibyl worstelt een psychotherapeut met haar eigen demonen en die van een nieuwe patiënt, een jonge actrice. Als ze voor een spoedconsult op een filmset belandt, lopen de zaken in sneltreinvaart uit de hand. Een kwestie van ‘art imitates life’? De realiteit kan soms nog een tikkeltje erger zijn, bekent Triet.

Men zegt dat een film wordt geboren in de montage. In jouw geval heeft dat gezegde een kleine bijbetekenis, niet?
“Toen we met de montage van Sibyl begonnen, ontdekte ik dat ik zwanger was. Dat was een behoorlijke shock. Mijn vriend, die ook filmmaker is, was in Cambodja voor opnames. Dus daar zat ik dan: zwanger, alleen met mijn oudere meid en met een film die af moest. Gelukkig kwam mijn moeder me helpen. Maar het was een vreemde periode, en heel, heel druk. En dan moest ik ook nog eens het verlangen weerstaan een sigaret op te steken. Toen de film klaar was voor Cannes, zat ik in de laatste maand van mijn zwangerschap. Mijn buik was enorm bij de première. Niet bepaald glamourous, haha.”

Sibyl houdt het midden tussen melodrama, comedy en thriller. De film laat zich moeilijk in een hokje stoppen. 
“Dat zie ik als een compliment. Mijn vorige film, Victoria, had een klassieke opbouw. Toen ik Sibyl schreef, was ik me bewust van de ‘onzuiverheid’ qua genre. Ik merkte dat de film onmogelijk te pitchen was. Je kunt het verhaal wel tot één zin terugbrengen, maar dan doe je er geen recht aan. Aan de andere kant: dat geldt ook voor al mijn favoriete films. Het eerste en het tweede deel van Sibyl lijken wel uit een compleet andere film te komen. De helft die zich op het eiland Stromboli afspeelt voelt totaal anders dan wat eraan voorafgaat. Dat is ook omdat Stromboli geen normale plek is, maar een echte filmlocatie, een plek voor fictie. Dat deel functioneert als een spiegel voor alle personages en gebeurtenissen – of als spiegel ín een spiegel.”

In het begin van de film lijkt het even een MeToodrama te worden.
Lachend: “Ah, ja. Merde! Toen ik het scenario schreef, was de MeToodiscussie nog niet aan de hand. Toen ik klaar was, zei ik tegen mijn vriend dat mensen ervan overtuigd zouden zijn dat het de inspiratiebron was voor Sibyl. Maar dat is oké, het is niet het thema van de film.”

Het zette me wel aan het denken over de seksscènes in de film. Sinds de MeToodiscussie zijn er voor naaktscènes vaak speciale ‘intimicy coaches’ op de set.
“We hadden het geluk dat Virginie Efira en Niels Schneider in het echt geliefden zijn. De vonk sloeg over tijdens het maken van Un amour impossible en tijdens onze productie waren ze een stel. Daarmee wil ik niet zeggen dat de seksscènes appeltje-eitje waren om te draaien. Viriginie stond erop dat ik zeer precies elk moment, elk detail en elke intentie zou uitdenken. Dus ik moest vijf pagina’s beschrijven met daarin elke beweging en ieder gebaar, een beetje zoals je een kettingbotsing voor een actiefilm zou ensceneren. Alles wat op papier stond, zie je min of meer zo terug op het scherm.”

Is het sinds MeToo moeilijker om seksscènes te filmen?
“Voor mij niet, maar dat komt wellicht omdat ik een vrouw ben. Je bent minder verdacht. ‘Oh, ze is een vrouw dus ze kan geen psychopaat zijn’, is de redenatie. Wat natuurlijk onzin is, ik kan er ook een zijn.”

Op een zeker punt belandt het titelpersonage op een filmset. Een behoorlijk explosieve – niet vanwege de vulkaan op de achtergrond, maar door de hoogoplopende spanningen tussen de regisseur en haar acteurs.
“Ik weet wat je wil vragen: nee, die atmosfeer hadden we niet op onze eigen filmset. Toch kan het soms behoorlijk complex zijn op de set, met al die mensen en al die ego’s, misschien stiekem nog wel erger dan je in mijn film ziet. Een filmset is als een mini-gemeenschap. Ik weet niet waarom, maar zelfs het allerkleinste ding kan opeens de inzet worden van een oorlog, of een kwestie van leven of dood. Oké, ik weet natuurlijk wel waarom: het komt door factoren als geld en tijd, die de druk opvoeren.”

Klinkt stressvol. Wat is daar leuk aan? 
“Oh, ik vind het juist fantastisch. Vroeger zei ik altijd dat ik de montagefase het leukste vond van het filmvak. Nu haat ik het, want het duurt me allemaal te lang. Ik ben dol op de periode op de set, omdat het voelt alsof je leeft in de hoogste versnelling. En ik mag voor God spelen: iedereen is er om voor mij te werken, om hetzelfde idee te realiseren. Míjn idee. Als ik een roze straat wil, dan volgt iedereen me daarin. Ergens is dat natuurlijk prachtig. Mijn taak als regisseur is op de crew overbrengen dat ik weet waar we naartoe gaan – ook al weet ik dat misschien helemaal niet. Maar je moet dat rotsvaste geloof blijven uitstralen.”

Geschreven door Anton Damen

Photo in header: Justine Triet © Tomas Mustaers